In het eindrapport van de ‘Praktijktoets co-existentie GGO & niet-GGO maïsteelt’ die ILVO in 2010 uitvoerde concluderen de onderzoekers dat co-existentie voor maïs een haalbare kaart is in Vlaanderen, op basis van de huidige regelgeving.
Gisteren werd het onderzoeksrapport door minister van Landbouw Kris Peeters voorgesteld aan de parlementaire Commissie van Landbouw. Het rapport wordt vanaf morgen openbaar gemaakt op www.ilvo.vlaanderen.be.
Het rapport bevat aanbevelingen inzake zorgvuldig(er)e procedures om de verspreiding van zaai- en dorsresten via de machines te minimaliseren evenals de wijze van verzamelen/bewaren van monsters, zodat later de controle van de co-existentie in de praktijk vlot, betaalbaar en vooral betrouwbaar kan gebeuren.
Theoretisch bestaan er verschillende mogelijke risico’s op ongewenste vermenging van GGO-maïs met niet-GGO-maïs. Het ILVO bestudeerde de belangrijkste ervan:
1. Mechanische vermenging: zaai- en oogstmachines nemen GGO-zaad of GGO-oogst mee naar een volgend niet-GGO-veld.
2. Kruisbestuiving: pollen van GGO-maïs waaien tijdens de bloei naar een naburig maïsveld dat op hetzelfde moment bloeit en bevruchten daar maïsplanten, zodat de vrucht (maiskorrels), gedeeltelijk uit GGO bestaat.
Het eerste – machinale - risico is in de huidige Vlaamse landbouwpraktijk reëler dan het tweede, en verdient daarom extra aandacht. Het risico op kruisbestuiving wordt uitermate goed beheerst door de in het Besluit van de Vlaamse Raad van 15.10.2010 opgelegde isolatieafstand van 50 meter.
Conclusies van het onderzoek
1) De ILVO-onderzoekers tonen aan dat de voorgeschreven isolatieafstand van 50 meter ruim voldoende is om alle omliggende niet-GGO partijen te vrijwaren. Er treedt gegarandeerd GEEN vermenging op die aanleiding zou geven tot de etikettering.
Met andere woorden 50 meter isolatieafstand is ruim voldoende om vermenging door kruisbestuiving naar omliggende niet-GGO percelen zodanig in te perken dat de finale GGO-gehaltes in de volledige geoogste partijen snijmaïs of korrelmaïs ruim onder de 0,9% blijven.
Het risico op een relatief hoge score voor vermenging is groter voor korrelmaïs dan voor snijmaïs. Conventionele maïs die wordt bestoven en bevrucht door een GGO-plant heeft enkel in de maïskorrel – en niet in de stengel, wortels of bladeren – een gedeelte GGO-DNA. Bij snijmaïs is de verdunning zo aanzienlijk dat de detectie van GGO-aanwezigheid in bijna geen enkel staal mogelijk was. Bij de oogst van korrelmaïs worden de gehaltes vastgesteld aan de hand van de analyses van de geoogste korrels.
In het onderzoek is aangetoond dat zelfs voor een perceel dat grenst aan het GGO-perceel de etiketteringsdrempel voor de geoogste korrelmaïs niet werd overschreden. Hiermee is dus aangetoond dat de vastgelegde isolatieafstand, die gebaseerd was op internationaal wetenschappelijk onderzoek, ook onder Vlaamse landbouwomstandigheden duidelijk van toepassing is.
2) Het onderzoek toont duidelijk aan dat verspreiding via de gebruikte zaaimachine de nodige aandacht verdient. Verschillende experimenten brachten aan het licht dat de huidige praktijk van reinigen van zaaimachines het risico inhoudt dat per zaadbak tot 300 korrels in de reservoirs kunnen achterblijven. Deze achtergebleven zaden kunnen tot 300 meter ver in het veld worden uitgezaaid. Verspreiding via de zaaimachine kan echter vermeden worden door alle zaaischijven open te maken en alle achtergebleven korrels manueel te verwijderen. Dit neemt maximaal 15 minuten tijd in beslag.
3) Wat de potentiële vermenging tijdens de oogst betreft vergt vooral de dorsmachine de nodige aandacht. De verspreiding van geoogste GGO-snijmaïs in een daaropvolgende oogst van niet-GGO snijmaïs via de hakselaar is zo goed als onbestaande. Dorsers daarentegen kunnen duidelijk wel voor vermenging van geoogst GGO-materiaal in de daaropvolgende niet-GGO oogst zorgen. Dit kan ingeperkt worden door het toestel grondiger te reinigen dan nu gebruikelijk is bij overschakelen van GGO- naar een niet-GGO veld. Aanwezige controleluiken en deksels zouden voor dit doel kunnen gebruikt worden en toelaten om met een luchtcompressor meer achterblijvend materiaal uit de oogstmachine te verwijderen. Een alternatieve oplossing is dat de landbouwer die GGO inzaait, een partij niet-GGO maïs voorziet voldoende groot is. Deze kan na de GGO partij mee geoogst worden en zorgen voor een ‘spoeling’ (reiniging) van de dorsmachine.
4) Verspreiding tijdens het transport is eenvoudig onder controle te houden door overladen van de transportwagens te vermijden.
5) Het belang van de werkwijze inzake staalnames: De vaststelling van het percentage GGO in een maïs oogst via laboratoriumanalyses kan slechts correct zijn als de geanalyseerde (oogst)monsters representatief zijn. In het rapport wordt aangetoond dat representatieve staalname en een scenario hiervoor in de praktijk perfect haalbaar is. De gevolgde procedure, bestaande uit het manueel samenstellen van een bulkstaal en het aan de lucht drogen van het staal, kan gemakkelijk geïmplementeerd worden in de praktijk. Het bulkstaal kan bestaan uit geoogst materiaal genomen op het tijdstip van de oogst of uit vooraf geplukte kolven. In de toekomst lijkt ook geautomatiseerde staalname op de commercieel ingezette oogstmachines zeker een optie. Bewaring van deze stalen is mogelijk gedurende enkele jaren met behoud van de relatieve en representatieve DNA samenstelling. Aldus kan vermeden worden dat voor elke geoogste partij er standaard dure experimentele analyses worden uitgevoerd.
Conclusies door het beleid
Op basis van de aanbevelingen in het onderzoek stelde minister van Landbouw Kris Peeters in de Parlementaire commissie Landbouw dat het betrokken Besluit Vlaamse Regering niet dient aangepast te worden.
Ook de bepalingen met betrekking tot het reinigen van zowel de zaai- als oogstmachines zijn duidelijk en strikt.
Er zal wel een code van goede praktijk uitgewerkt worden m.b.t. dat reinigen, en in de vorming die voor landbouwers en loonwerkers voorzien is, zal extra aandacht besteed worden aan het reinigen van de gebruikte machines.
In de code van goede praktijk kan ook de wijze van monstername worden uitgetekend, op basis van de onderzoeksresultaten.
Bekijk de video die ILVO maakte over dit onderwerp op http://www.youtube.com/watch?v=M4CGFant8_E